Werken, handelingen en wijzigingen waarvoor een vrijstelling van vergunning geldt
Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor o.a. volgende werken, handelingen en wijzigingen, die uitgevoerd mogen worden voorzover ze niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen, bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen:
1. tijdelijke werken, handelingen en wijzigingen nodig voor de uitvoering van vergunde werken
2. de plaatsing van sanitaire, elektrische, verwarmings-, isolerings-, of verluchtingsinstallaties binnen een gebouw
3. de inrichtingswerkzaamheden binnen een gebouw of de werkzaamheden voor de geschiktmaking van lokalen
4. de volgende zaken bij vergunde gebouwen:
• dakvlakvensters en/of fotovoltaïsche zonnepanelen en/of zonneboilers in het dakvlak, tot een maximum van 20% van de oppervlakte van het dakvlak in kwestie
• fotovoltaïsche zonnepanelen en/of zonneboilers op een plat dak
• het kaleien of pleisteren van gevels
• het aanbrengen van steenstrips op een gevel
• het aanbrengen van een waterwerende en isolerende afdekking op blinde zijgevels
• het plaatsen van uitklapbare of uitrolbare zonneschermen aan ramen. Die zonneschermen mogen zich niet bevinden boven het openbaar domein.
• het plaatsen van voorzetrolluiken
• het omvormen van een plat dak tot extensief groendak met lage begroeiing zoals een vetplanten-, mos-, gras- en/of kruidendak
5. de aanleg van de volgende verhardingen op de hoogte van het natuurlijke maaiveld in de onmiddellijke omgeving van vergunde woongebouwen:
• de strikt noodzakelijke toegangen en opritten naar het gebouw of de gebouwen
• tuinpaden in de zij- en achtertuinstrook
• terrassen, voor zover ze niet gelegen zijn in de voortuinstrook, in totaal niet groter zijn dan 50 m² en minstens 1 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen verwijderd blijven. Als op de perceelsgrens een duurzame, ondoorzichtige, minstens 2 meter hoge afsluiting aanwezig is, dan mag het terras worden aangelegd tot tegen die afsluiting.
Onder onmiddellijke omgeving dient de ruimte gelegen binnen een straal van 30 m van de uiterste grenzen van het woongebouw te worden verstaan.
6. de plaatsing van o.a. volgende ondergrondse installaties:
• bij vergunde gebouwen op minstens 1 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen, een ondergronds regenwaterreservoir, een septische put, een bezinkput, een ondergrondse waterzuiveringsinstallatie, een infiltratiebed en/of een ondergrondse brandstoftank voor de verwarming van het gebouw
• de ondergrondse aansluitingen van gebouwen op openbare nutsvoorzieningen of voorzieningen van algemeen belang
7. onder welbepaalde voorwaarden, de volledige afbraak van vrijstaande bouwwerken of constructies met een grondoppervlak van minder dan 100 m²
8. de plaatsing van de afsluitingen die bestaan uit palen met prikkel- of schrikdraad, alsook volgende afsluitingen, enkel voor de afsluiting van bestaande huiskavels:
• afsluitingen met een maximumhoogte van 2 m, die bestaan uit palen en draad of draadgaas, uit één betonplaat met een maximumhoogte van 40 cm en draad of draadgaas, opgericht ter afsluiting van een goed. Op die afsluitingen mogen in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw constructies worden aangebracht ter bescherming van de privacy, zoals zeildoek, gevlochten kunststofstrips of rieten matten.
• voortuinmuurtjes in metselwerk of andere voortuinafsluitingen met een maximale hoogte van 50 cm
• poorten, geplaatst tussen twee kolommen met een maximale hoogte van 2,50 m
• houten panelen met een maximale hoogte van 2 m, met een maximale lengte van 10 m per zijdelingse en achterste perceelsgrens, opgericht ter afsluiting van een goed, en in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw. Die panelen worden niet ter hoogte van de voortuin geplaatst.
Onder onmiddellijke omgeving dient de ruimte gelegen binnen een straal van 30 meter van de uiterste grenzen van het woongebouw te worden verstaan.
Deze vrijstellingen gelden niet in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, in een beschermd of voorlopig beschermd landschap, in een oeverzone of in de 5 m brede strook te rekenen vanaf de bovenste rand van het talud van ingedeelde onbevaarbare en bevaarbare waterlopen.
9. de plaatsing van de volgende zaken voorzover ze liggen in een agrarisch gebied of in een ermee vergelijkbaar gebied:
• plastiektunnels met een maximumhoogte van 2,5 m, voorzover ze dienen voor de teelt van landbouwgewassen en na de oogst worden verwijderd
• hagelnetten of antivogelnetten, bestaande uit palen waarover een net wordt gespannen
• constructies ter ondersteuning van de gewassen
10. de plaatsing in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw van zaken die tot de normale tuinuitrusting behoren, zoals:
• maximaal één houten tuinhuisje ofwel één houten hok voor dieren ofwel één houten duiventil
• maximaal één volière ofwel één serre
• siervijvers met aanhorigheden met een totale maximale oppervlakte van 30 m² (behalve in ruimtelijk kwetsbare gebieden)
• rotstuintjes
• pergola's
• tuinmuurtjes, niet zijnde afsluitingsmuren, met een maximumhoogte van 1,2 m
• barbecues
• speeltoestellen
• tuinornamenten
• brievenbussen
• ingegraven of op de grond geplaatste openluchtzwembaden of jacuzzi’s met een totale maximale oppervlakte van 30 m² (behalve in ruimtelijk kwetsbare gebieden). Die constructies mogen, met inbegrip van een eventuele afdekking, niet hoger zijn dan 1,5 m, gemeten vanaf het maaiveld en niet gelegen zijn in de voortuinstrook.
Onder onmiddellijke omgeving dient de ruimte gelegen binnen een straal van 30 m van de uiterste grenzen van het woongebouw te worden verstaan.
Deze vrijstellingen gelden niet in oeverzones, afgebakend in een bekkenbeheerplan of deelbekkenbeheerplan of in de 5 m brede strook, te rekenen vanaf de bovenste rand van het talud van ingedeelde onbevaarbare en bevaarbare waterlopen.
11. de oprichting van bijenstallen of bijenkorven, voorzover deze niet in een woongebied of in een ermee vergelijkbaar gebied gelegen zijn
12. het draineren van een goed voor landbouwdoeleinden, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is:
• de bovengrondse zichtbare voorzieningen hebben maximale afmetingen van 1 m x 1 m en liggen gelijk met het maaiveld of met het talud van de ontvangende waterloop
• het drainageproject heeft geen betrekking op een goed met een aaneengesloten oppervlakte groter dan of gelijk aan 5 ha
• de drainagewerken worden niet uitgevoerd in een ruimtelijk kwetsbaar gebied of een overstromingsgebied, noch op minder dan 50 m van één van deze gebieden
• de drainagewerken worden niet uitgevoerd in de volgende gebieden of zones:
- de perimeter van de vogelrichtlijngebieden en habitatrichtlijngebieden
- een gebied aangewezen krachtens de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn
- een beschermd of voorlopig beschermd landschap
- een archeologische site
• voor de drainagewerken is geen milieueffectrapport vereist